Ondertekenende partijen Convenant Gewasbescherming

Plantaardige sectoren ondertekenen hoofdlijnen Convenant Gewasbescherming

Het Hoofdlijnenconvenant Gewasbescherming helpt telers in plantaardige sectoren om hun teelten verder te verduurzamen én biedt hun tegelijkertijd meer rechtszekerheid en langjarig handelingsperspectief. Vanuit die vaststelling hebben BO Akkerbouw, Greenports Nederland, LTO Nederland en NAJK het Hoofdlijnenconvenant op 14 juli ondertekend. Volgens de vier organisaties biedt het convenant voldoende aanknopingspunten om na de zomer, samen met de andere convenantpartners, verder uit te werken. “Onze handtekening staat voor een intentie om te komen tot een akkoord”, zo benadrukt André Hoogendijk, directeur BO Akkerbouw: “Cruciale onderdelen moeten nog verder uitgewerkt worden om het convenant succesvol te laten zijn.”

Telers zijn volgens voorzitter Adri Bom-Lemstra van Greenports Nederland al volop bezig om hun gewasbescherming verder te verduurzamen en de impact daarvan op milieu en omgeving te verminderen: “Het toepassen en verder intensiveren van integrated crop management (ICM) vraagt om risicovolle investeringen, onderzoek en versnelde beschikbaarheid van niet-chemische alternatieven zoals high tech-apparatuur en groene gewasbeschermingsmiddelen. De € 250 miljoen die het Rijk nu beschikbaar stelt voor onderzoek en implementatie van ICM is een eerste stap. Maar voor een fonds dat risicovolle ICM-maatregelen versneld in de praktijk brengt, en telers financieel compenseert als zij ingrijpende maatregelen moeten nemen, is een veelvoud van dit budget nodig.”

Ook de samenwerking met markt- en ketenpartijen moet volgens Bom-Lemstra nog verder worden uitgewerkt: “Bijvoorbeeld het uit de markt terugverdienen van hogere kosten of lagere opbrengsten. Maar ook de vraag hoe – als de markt hierin faalt – de overheid bijspringt om te voorkomen dat dat alleen een risico voor telers en/of ketenpartners wordt.”

Topsport

“Wat telers doen is topsport”, zegt LTO-voorzitter Ger Koopmans, “maar wel steeds vaker topsport met gebonden handen en voeten. Zo hebben telers vaker te maken met periodes van extreme droogte of wateroverlast. Mede door klimaatverandering zien we in alle teelten een toenemende plaag- en ziektedruk. Maar het aantal werkzame stoffen dat zij mogen gebruiken om hun teelt te beschermen is de voorbije jaren met meer dan 60% afgenomen. Intussen maken provincies en gemeenten steeds vaker eigen beleid met teelt- of middelverboden. En in verschillende provincies moeten telers een natuurvergunning aanvragen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, gericht op het uitsluiten van mogelijke natuureffecten op afstanden tot 4.000 meter. Totaal onwerkbare, omgekeerde bewijslast, – en stuk voor stuk bepalingen die per postcode kunnen verschillen.”


Koopmans: “Met dit convenant kan er een einde komen aan die onwerkbare praktijk. Na de zomer wordt een ‘landelijk beleidskader leefomgeving en natuur’ opgesteld dat bindend wordt voor provincies en gemeenten. Cruciaal is dat de landelijke maatregelen in dit beleidskader gebaseerd worden op onafhankelijk, wetenschappelijk onderzoek. Daarmee wordt rechtszekerheid geboden aan telers en aan de maatschappij. Uitwerking hiervan wordt bepalend voor het succes van het convenant. Hierin ben ik gesterkt door een signaal vanuit NFO, waarbij wordt ervaren dat de nu voorliggende tekst soms nog te veel geschreven lijkt te zijn vanuit een wantrouwen naar elkaar. Daarom is besloten dat de sectororganisaties KAVB, NFO, Biohuis en Glastuinbouw Nederland in het vervolgproces na de zomer ook zelf aan tafel zitten en rechtstreeks betrokken zijn bij deze uitwerking.”

Stichting Natuur & Milieu en LandschappenNL waren als deelnemers van de kerntafel direct betrokken bij het onderhandelingsakkoord. Desondanks lieten zij eind vorige week weten dit akkoord niet te zullen ondertekenen. Koopmans: “Het verrast ons zeer dat zij nu afhaken. We zijn er blij mee dat andere partijen aan tafel, waaronder overheden, dit onderhandelingsakkoord wel steunen.”

Inbreng van leden en achterban

NAJK-bestuurder Hilde Coolman: “Het hoofdlijnenconvenant bevat ook maatregelen die zwaar vallen in de plantaardige sectoren. Het landelijke beleidskader voor natuur en leefomgeving dat na de zomer wordt opgesteld, zal ook maatregelen bevatten die in specifieke situaties beperkend zijn voor telers. En voor waterkwaliteit zal, met name in grondwaterbeschermingsgebieden, sneller en scherper geschakeld moeten worden om waterkwaliteitsrisico’s te beperken. Voor telers zal daar écht voldoende tegenover moeten staan. Bij zware ingrepen dienen telers volledig gecompenseerd te worden. En ook voor de plantaardige sectoren moet daarbij het hele ‘trappetje van Remkes’ op tafel liggen, inclusief de mogelijkheid om te kiezen voor extensivering, verplaatsing of uitkoop. Daar gaan we ons in de verdere uitwerking keihard voor inzetten!”

“Twee weken geleden organiseerden onze organisaties een gezamenlijk leden-webinar. De tientallen vragen die tijdens het webinar gesteld werden, laten zien hoe groot de betrokkenheid en het gevoel van urgentie onder onze leden is,” zegt Coolman: “Daarbij kwam kraakhelder naar voren dat telers stappen kunnen en willen zetten, maar daarbij wel als randvoorwaarde stellen dat draconische maatregelen zoals vergunningplicht, teeltverboden en afstandseisen zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Telers vragen om handelingsperspectief, om werkbare alternatieven en om keuzes die gebaseerd zijn op onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek.”

Coolman: “In het regeerakkoord staat dat – als het partijen niet lukt om in gezamenlijkheid tot een Convenant Gewasbescherming te komen – het kabinet zelf met nieuw beleid komt om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen terug te dringen. De Kamerbrief van 26 juni jl. bekrachtigde dit. Indien de sector de discussie over gewasbescherming overlaat aan kabinet en Tweede Kamer, dan liggen de mogelijke maatregelen al op de plank, waaronder uitfasering van het middelengebruik in gebieden, zonering en een vergunningsplicht. Wij zijn ervan overtuigd dat het in het belang is van onze telers en bedrijven om dat te voorkomen. Om invloed aan tafel uit te blijven oefenen en om ons in te blijven zetten voor afspraken die haalbaar en realistisch zijn, ondernemers handelingsperspectief bieden én rechtszekerheid. Tijdens het webinar met onze achterban voelden we ook steun voor die aanpak.”

Proces na de zomer

Hoogendijk vult aan: “Het hoofdlijnenconvenant dat vandaag door alle betrokken partijen is ondertekend, is een ‘raamakkoord’. Belangrijke thema’s moeten zorgvuldig uitgewerkt worden met compenserende maatregelen voor de telers die het betreft. Na de zomer gaan we daarmee door. Dan worden ook deelconvenanten per plantaardige sector opgesteld. Succes is niet gegarandeerd, daar zijn we ons allemaal van bewust, maar we zien voldoende aanknopingspunten. We hebben voldoende vertrouwen in het proces, om bij die verdere uitwerking betrokken te willen zijn.”

Wat leeft er in een bollenveld? Studenten HAS green academy onderzochten het Demoveld Bollenstreek

Het Demoveld Bollenstreek in 2026

Dit jaar zijn er hyacinten geteeld. Die waren geplant op ruggen, met in elke rug een fertigatieslangetje voor de stikstofbemesting en vochtvoorziening. Onkruid werd voor opkomst geschoffeld en daarna herhaaldelijk met een wiedeg bestreden, Wat in de ruggenteelt goed uitvoerbaar was. Er zijn dit jaar geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. In het midden van het veld staat een haag met verschillende vroegbloeiende heesters, geplant in 2023. Langs het veld ligt een bloemstrook, dit voorjaar opnieuw is ingezaaid.

Het onderzoek van de studenten

De studenten hebben vallen voor insecten en andere ‘geleedpotige’ dieren geplaatst in beide helften van het hyacintenveld, in de haag en in de bloemstrook. De haag blijkt de meeste insecten en spinnen te huisvesten. Daarna volgt de bloemstrook, gevolgd door de twee helften van het hyacintenperceel. Er was geen effect van afstand tot de haag of tot de bloemenrand. Ten opzichte van vorig jaar was de diversiteit in families wat toegenomen, terwijl de aantallen wat lager waren. In de haag waren zowel meer plaaginsecten als meer predatoren (natuurlijke vijanden) aanwezig dan tussen de hyacinten. In de heg werden ook meer insecten en andere geleedpotigen gevonden dan in de bloemstrook, die dit voorjaar opnieuw is ingezaaid. Bij de spinnen kwam de kleine dikkaak het meeste voor, een soort die bladluizen eet. Op dit moment is nog niet aan te geven wat dit praktische betekent voor de bollenteelt.

Tijdens de presentatie werd gerooid op het Demoveld Bollenstreek.

Bijzondere loopkevers

De loopkevers, die tot de natuurlijke vijanden behoren, zijn tot op soort gedetermineerd. Er zijn 37 soorten loopkevers gevonden op het demoveld, tegen 33 vorig jaar. Van de minder algemene soorten viel de bruine bontloper op, waarvan nog maar een paar waarnemingen in de regio bekend zijn, namelijk in de duinen.  Ook is de Kleine Roodpootglimmer gevonden. De dichtstbijzijnde andere waarneming van deze soort is in een Haarlemse achtertuin in 2021. 

Vervolg

Het rapport van de studenten komt na afronding beschikbaar op de website van Demoveld Bollenstreek. De resultaten worden samen met de metingen en ervaringen van de teelt van dit jaar verder verwerkt door het team van Kennisplatform Duurzame Bollenstreek, een project van Greenport Duin- en Bollenstreek. Dit wordt mogelijk gemaakt met financiering van de Europese Unie en provincie Zuid-Holland. Na de oogst van de hyacinten worden een aantal groenbemesters op het demoveld ingezaaid. Volgend jaar worden er dahlia’s geteeld. En wat de studenten betreft: Jacco Spithout studeert deze zomer af, en zoekt een baan als ecoloog. Anouk Massuger hoopt over een half jaar haar studie Toegepaste Biologie af te ronden. Vincent Harkes vervolgt zijn studie Milieukunde met een deelprogramma (‘minor’) in Noorwegen en hoopt daarna af te studeren. 

De presentatie (PowerPoint) is op te vragen.

meld-je-aan-voor-tuinbouw-ondernemersprijs-greenport

Provinciale Tuinbouwvisie 2050 onderstreept belang van samenwerking in de Bollenstreek

Voor de Bollenstreek betekent dit dat de sector verder moet werken aan weerbaar telen, slimmer watergebruik, minder milieubelasting en een toekomstbestendig verdienmodel. De visie benadrukt dat deze opgaven niet door individuele ondernemers of overheden alleen kunnen worden opgelost. Juist gebiedsgerichte samenwerking is nodig om de economische kracht van de bollensector te verbinden met een gezonde leefomgeving.

Greenport Duin- en Bollenstreek als verbindende kracht

Daarbij wordt de Greenport Duin- en Bollenstreek nadrukkelijk gepositioneerd als het brandpunt van de samenwerking tussen overheden, sector, kennispartners en andere betrokken partijen in de regio. Vanuit die rol kan de Greenport partijen verbinden, gezamenlijke opgaven agenderen en projecten aanjagen die bijdragen aan een sterke en duurzame Bollenstreek. Lopende initiatieven, zoals de Regio Deal Sierteeltregio, de inzet op waterkwaliteit en de ontwikkeling van een zoetwaterstrategie, sluiten hier goed op aan.

Duidelijk opdracht en kans

De Tuinbouwvisie 2050 is geen directe beleidswijziging, maar vormt wel een belangrijk vertrekpunt voor toekomstig provinciaal beleid. Voor de Bollenstreek ligt er daarmee een duidelijke opdracht én kans: samen werken aan een bollensector die ook in 2050 economisch vitaal is, past binnen de grenzen van water, bodem en natuur, en verbonden blijft met de streek waarin zij diep geworteld is.

Document Waarde van Tuinbouw | Tuinbouw van Waarde – Visie 2050

Bekijk hier het volledige bestand.

Adviesrichtlijnen Regiocertificering maken verduurzaming concreet en breder toepasbaar

Regiocertificering biedt een concrete structuur om duurzaamheidsdoelen meetbaar te maken en prestaties tussen kwekers te vergelijken. Binnen deze aanpak staan waterkwaliteit, nutriëntenbalans en bodemkwaliteit centraal. Het gaat onder meer om het terugdringen van stikstof- en fosfaatoverschotten, het berekenen van organische stof in de bodem en het beperken van de milieubelasting van gewasbeschermingsmiddelen.

KPI’s als basis voor inzicht en verbetering

Regiocertificering werkt met kritische prestatie-indicatoren (KPI’s) die de voortgang op duurzaamheidsdoelen meten en zichtbaar maken. Deze indicatoren richten zich op onderdelen waar kwekers zelf invloed op hebben, zoals:

  • stikstof- en fosfaatoverschotten in de bodem
  • organische stofgehalte van de bodem
  • milieubelasting van gewasbeschermingsmiddelen, uitgedrukt in milieubelastingspunten (MBP), die het effect laten zien op de kwaliteit van het water en de bodem
  • probleemstoffen, het gebruik van actieve stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen die teruggevonden worden in het oppervlaktewater

Door deze gegevens structureel te verzamelen, ontstaat een beeld van de prestaties op bedrijfsniveau én op regionaal niveau.

Van data naar praktijk: de rol van adviesrichtlijnen

De uitkomsten van de KPI’s worden vertaald naar praktische handvatten via de zogenoemde Adviesrichtlijnen Regiocertificering. Deze richtlijnen maken inzichtelijk wat de cijfers betekenen in de dagelijkse bedrijfsvoering en welke stappen bijdragen aan verdere verbetering.

De adviesrichtlijnen worden regelmatig geactualiseerd op basis van nieuwe inzichten uit Regiocertificering, ervaringen van kwekers en input van erfbetreders. Zo sluiten ze aan op de praktijk en blijven ze actueel.

Samen leren met ruimte voor maatwerk

Een belangrijk uitgangspunt van Regiocertificering is dat de adviesrichtlijnen breed worden gedragen en toegepast binnen de sector. De richtlijnen zijn tot stand gekomen in nauwe samenwerking met erfbetreders Delphy en Agrifirm en enkele kwekers uit de regio. Met deze partijen zijn afspraken gemaakt over het gebruik en de toepassing van de richtlijnen.

Ook andere partijen in de regio ondersteunen het initiatief en dragen de adviesrichtlijnen uit richting kwekers. Zo draagt Van der Veek bij aan de bekendheid en toepassing van de richtlijnen binnen de sector.

Tegelijkertijd blijft er ruimte voor professioneel maatwerk. De diversiteit aan bedrijven in de Duin- en Bollenstreek vraagt om een praktische toepassing die aansluit bij de situatie op het bedrijf. Daarom houden de adviesrichtlijnen rekening met verschillende bedrijfssituaties. Omstandigheden zoals weersinvloeden, bodem- en gewasomstandigheden of specifieke teeltkeuzes kunnen aanleiding geven om tijdelijk af te wijken van de richtlijnen.

Drie teeltgroepen, één gezamenlijke basis

Voor verschillende teeltgroepen zijn specifieke adviesrichtlijnen opgesteld:

  • voorjaarsbloeiers
  • vaste planten
  • zomerbloeiers

Deze documenten geven gerichte adviezen over het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen binnen de betreffende teelten. De richtlijnen worden gedeeld met kwekers uit de pilotgroepen van Regiocertificering en erfbetreders, en verder doorontwikkeld op basis van praktijkervaring.

Meer weten of de adviesrichtlijnen opvragen?

De adviesrichtlijnen zijn bedoeld als praktisch hulpmiddel in de dagelijkse bedrijfsvoering en als ondersteuning bij verdere verduurzaming van de sector. Wie meer wil weten over de aanpak of de documenten wil inzien, kan contact opnemen met: Harry Kager, projectleider Regiocertificering Duin- en Bollenstreek. 

Water-bodem-kwaliteit-erf-landbouwportal-Rijnland

Dashboard meetresultaten oppervlaktewater geeft inzicht: van meten naar verbeteren

“Een jaar wachten met delen van de meetresultaten is eigenlijk te laat”, zegt Jasperien de Weert van Hoogheemraadschap van Rijnland. “Je wilt weten wat er nu gebeurt, zodat je ook sneller kunt handelen.”

Van jaarlijkse terugblik naar actuele inzichten

Het Hoogheemraadschap van Rijnland meet al vanaf 2013 de waterkwaliteit in het bollengebied. Op zeven meetpunten worden maandelijks monsters genomen. Ook bij andere teelten, zoals de akkerbouw en glastuinbouw, vinden metingen plaats.

Voorheen werden de resultaten vooral gebruikt om achteraf te beoordelen of aan de jaargemiddelde milieukwaliteitsnorm werd voldaan. “Dan duurt het lang voordat je een terugkoppeling kunt geven”, vertelt Jasperien. “Door de meetresultaten maandelijks inzichtelijk te maken, kunnen we sneller zien waar aandacht nodig is. Past iets in een patroon? Of is er sprake van een opvallende hoge piek? Dat geeft aanleiding om eerder het gesprek te voeren waar de hoge concentratie door veroorzaakt kan zijn.”

Niet om af te rekenen, maar om te begrijpen

Het dashboard is openbaar. Dat is een bewuste keuze. “De gegevens zijn openbaar. Door de gegevens zelf in een dashboard te presenteren, kunnen we ook uitleg geven bij wat mensen zien. Een verhoogde concentratie betekent niet automatisch dat iemand iets verkeerd heeft gedaan. We willen vooral duiden: wat zien we, waardoor kan het komen en wat kunnen we ervan leren.”

Volgens Jasperien is er meestal geen sprake van onwil. “Bij een deel van de emissieroutes wordt in het dagelijks werk niet altijd stilgestaan.  Het voorkomen van emissies gaat vaak om bewustwording. Over hoe dagelijkse handelingen op het erf uiteindelijk de waterkwaliteit beïnvloeden?”

Samen zoeken naar oorzaken

Juist die duiding levert waardevolle inzichten op. Zo bleek in het verleden dat stoffen niet altijd afkomstig waren uit de bron waaraan in eerste instantie werd gedacht. Een voorbeeld is imidacloprid. Hoewel dit middel in de teelt niet meer is toegestaan, werd het toch nog in het oppervlaktewater aangetroffen. Uiteindelijk bleek de herkomst elders te liggen. Imidacloprid is namelijk nog wel toegelaten als biocide, bijvoorbeeld in vlooienbanden en shampoos voor honden en katten. Via waterzuiveringen kan de stof alsnog in het oppervlaktewater terechtkomen.

“Daarom is het belangrijk om eerst de data goed te bekijken voordat je conclusies trekt”, aldus Jasperien.

Ook de actieve stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen Securo, Stomp en Wing P vragen aandacht in de meetresultaten. Pyraclostrobin, de actieve stof in Securo, wordt de laatste paar jaar steeds meer aangetroffen op de meetpunten. “Dat baart me zorgen”, zegt Jasperien. “Tegelijkertijd proberen we juist te begrijpen waardoor dat komt en hierover het gesprek te voeren.”

Inmiddels ontstaat er steeds meer inzicht in mogelijke emissieroutes. Zo blijkt dat resten van ontsmettingsmiddelen, die nu en in het verleden zijn gebruikt, via bollenkisten in het oppervlaktewater terecht kunnen komen en daar hoge piekcontraties kunnen veroorzaken. Dit gebeurt wanneer deze kisten nat worden door regen en het regenwater naar het oppervlaktewater stroomt. Ook bij het reinigen van kisten kan water vanaf het erf in de sloot terechtkomen. “Door met elkaar in gesprek te gaan, kun je achterhalen waar emissies ontstaan en welke verbeteringen mogelijk zijn.” Binnen Regiocertificering worden kwekers gewezen op deze emissieroutes en krijgen zij praktische tips om emissies te voorkomen.

“Ik hoop over een aantal jaar naar een maagdelijk wit dashboard te kijken”

Zichtbaar maken wat werkt

Het dashboard laat niet alleen zien waar aandacht nodig is, maar ook waar vooruitgang wordt geboekt. “We meten al sinds 2013. Daardoor kunnen we ook zien of maatregelen effect hebben”, vertelt Jasperien. “Denk aan de aanpassingen rondom het middel Stomp en Wing P, de aandacht voor het inklappen van de spuitboom boven de sloot, het gebruik van de kantdop en het gebruik van alternatieve middelen vanuit het MilieuBelastingsPunten-systeem binnen Regiocertificering. Door te meten, kun je volgen of gezamenlijke inspanningen daadwerkelijk iets opleveren.”

Het dashboard geeft geen inzicht op bedrijfsniveau, benadrukt ze. “Je kunt niet zien welke kweker verantwoordelijk is voor een bepaalde verhoogde concentratie. Je ziet wel wat er in het bollengebied gebeurt.”

Meer regie door transparantie

Volgens Jasperien helpen objectieve gegevens om vertrouwen op te bouwen. “Door te meten én te duiden, voorkom je dat onterecht met een beschuldigende vinger wordt gewezen. Tegelijkertijd kun je laten zien welke stappen de sector zet en welke resultaten dat oplevert.” Dat is niet alleen belangrijk richting overheid en waterschap, maar ook richting maatschappij en afnemers. “Als sector kun je onderbouwen dat je maatregelen neemt en werkt aan verbetering. Dat geeft regie.”

Kijk mee en stel jezelf de vraag: kan het anders?

Op de vraag wat Jasperien hoopt wat kwekers met het dashboard gaan doen, antwoordt ze: “Kijk welke stoffen je terugziet in het dashboard. Gebruik jij deze middelen? Stel jezelf dan de vraag of er op jouw bedrijf emissieroutes zijn waar je nog niet aan hebt gedacht.” Daarbij hoeft niemand het alleen te doen. “Schakel bijvoorbeeld een gratis erfemissiecoach in via het Landbouwportaal en vraag om een onafhankelijke blik. Of bespreek het met je teeltadviseur. Emissies ontstaan vaak op plekken of bij handelingen waar je ze misschien niet direct verwacht.”

Benieuwd naar de resultaten? Bekijk het dashboard en selecteer ‘bollengebied’